Albert Polman in de jaren vijftig


Familie

Albert Polman (Broekhuizen, 27 augustus 1902-Groningen, 25 april 1959) was de zoon van Jan Polman (1867-1943) en Arendina Inberg (1876-1937). Polman trouwde op 24 december 1927 met Meiltje Willemina Bakker (1902-1973). Het echtpaar kreeg vier kinderen, Henny (1929-2003), Dien (1931-1999), Hilda (1932-1984) en Jan (1935-2005).

Studieperiode

Polman volgde van 1909-1914 de lagere school in Broekhuizen en begon in 1915 aan zijn opleiding aan de HBS in Meppel. In 1920 deed hij eindexamen met mondelinge vrijstellingen voor wiskunde, mechanica, natuurkunde, scheikunde en Nederlands (gedeeltelijk).

Hij verkreeg een aanvullende beurs en studeerde vervolgens geneeskunde aan de Universiteit van Groningen. Hij was in die tijd lid van studentenvereniging Vindicat. Polman legde zijn artsexamen af op 23 juni 1927.

Huisartsenpraktijk in Hoogkerk

Polman en Bakker trouwden op 24 december 1927 in Exloo, waarna ze een huis aan het Hoendiep in Hoogkerk betrokken. Polman was een korte periode plaatsvervangend huisarts in Onstwedde. Daarna werd hij aangesteld als huisarts Albert geeft college te Hoogkerk met een apotheekhoudende praktijk, die ook tandheelkundige problemen behandelde. Hij was in deze praktijk de opvolger van huisarts Poelman en tevens Gemeente- en Spoorwegarts.

Polman was lid van de Huisartsenvereniging Hunsingo, Fivelingo en Westerkwartier van de Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunde. Daarnaast had men hem benoemd tot voorzitter van de Provinciale Vereniging het Groene Kruis en aangesteld als secretaris van het Provinciaals Gronings Ziekenfonds.

Hij promoveerde in 1937 op de dissertatie "Wat is de invloed van de erfelijke aanleg op de psychische kenmerken van mensen".

Tweede Wereldoorlog

Polman was sterk gekant tegen de medische, met name eugenetische, maatregelen, die door de bezetter genomen werden. Hij weigerde te tekenen voor de Artsenkamer en werd actief als blokhoofd van Medisch Contact, de verzetsorganisatie van artsen,  in de provincie.

Tijdens de oorlog werd in Hoogkerk M.J. Burema, een lid van de NSB, benoemd tot burgemeester. Polman lag direct onder vuur. Dat was deels omdat hij zich bezig hield met ludieke acties tegen de Duitse bezetter. Maar ook omdat hij weigerde een NSB-arts naast zich te dulden of steun te verlenen aan Winterhulp.

Burema schreef onder meer: "Dat ik van de Gemeentelijke geneesheer-directeur direct niet alle medewerking kan verwachten mKindertjes met bloemen bij terugkeer Albertoge blijken uit het feit dat ik mij met het oog op onze strenge instructies voor de negende augustus genoodzaakt heb gezien hem alle oranje bloemen (een andere kleur was er niet bij) uit zijn voortuin te laten verwijderen" (brief van Burema uit december 1942).

In mei 1943 ondertekende Polman mede een brief waarin een lidmaatschap van de Artsenkamer werd afgewezen. En de Rijkscommissaris verantwoordelijk werd gesteld voor de gevolgen van de onrust die deze kwestie in het artsenkamp had veroorzaakt. De brief was ondertekend door 3.500 artsen, waarvan er 360, waaronder Polman, gearresteerd werden.

Polman werd uiteindelijk, mede doordat er een gebrek aan artsen ontstond en men bang was voor besmettelijke ziektes, Nummer uit Kamp Amersfoort van Albert in juli 1943 uit Kamp Amersfoort vrijgelaten.  Swier Broekema schreef in 1988 voor het Nieuwsblad van het Noorden een stukje over de thuiskomst van Polman:

"Soms in de bezettingAlbert en minister Cals Ridder in de orde van de Nederlandse Leeuwstijd was af en toe een eenheid merkbaar. Zoals die avond toen dokter Polman was teruggekomen uit Kamp Amersfoort.

Die avond ging heel het dorp wandelen en toevallig, heel toevallig, waren alle wandelaars tegelijkertijd bij het huis van onze dokter, die staande op de stoep van zijn huis, wat verlegen, met vrouw en kinderen de hulde in onvangst nam.

Het dorp was één, op het toenmalig hoofd, Burema, van de Gemeente na. Hij kwam woedend op zijn fiets aangereden en schreeuwde de dokter toe:  dokter, het is goed dat ze u verwelkomen, maar het mag geen demonstratie worden!"

Onder vuur na de oorlog

Vlak na de bevrijding, in 1945, tijdens een bezoek aan een bevriende familie in Amsterdam, ging het gezin van Polman een tochtje maken door de Amsterdamse Grachten. Aan de Levant-kade was een interneringskamp van collaborateurs gevestigd.

DBijeenkomst Medisch Contact in 1945e bewaker hiervan schoot op een boot die te dicht bij de kade kwam. Hij raakte tijdens deze schietpartij achtereenvolgens de arm van Polmans ene dochter, de schouder van Polmans andere dochter en het been van zijn vrouw.

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen het bestuur en de Blokhoofden  nog eenmaal bijeen om de toekomst van de gezondheidszorg te bespreken.

Polman pleitte tijdens deze bijeenkomst voor het Volksgezondheidsplan. Dat was een nationaal gezondheidsplan waarin particulieren en overheid samen zouden gaan. Omdat Polman was benoemd tot geneeskundig inspecteur voor de volksgezondheid voor de drie noorderlijke provincies nam een andere arts de huisartsenpraktijk van Polman over.

In 1949 kreeg Polman het verzoek om als plaatsvervangend afgevaardigde op te treden bij de tweede vergadering van de Wereld Gezondheidsorganisatie in Rome. Dat zelfde jaar ontving hij ook een fellowship om een studie in Kopenhagen te verrichten naar de invloed van de erfelijkheid op de volksgezondheid.

Bij TNO en hoogleraar antropogenetica

Polman werd op 1 januari 1950 benoemd tot voorzitter van de dan pas geformeerde Gezondheidsorganisatie en tegelijk van de Voedingsorganisatie van TNO. In 19Albert tijdens zijn benoeming tot hoogleraar56 volgde zijn aanstelling tot lid van het bestuur van de Stichting Voorlichtingsbureau voor de Voeding.

In 1957, ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van TNO, werd hij benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Polman aanvaardde op 14 april 1951 met de inaugurele rede, "Antropogenetica en het medisch denken" zijn benoeming tot buitengewoon hoogleraar antropogenetica aan de Universiteit van Groningen.

Daarnaast was hij in deze tijd voorzitter van de Gezondheidsorganisatie en Voedingsorganisatie van TNO en hoofd van het Antropogenetisch Instituut in Huis de Wolf. Zijn schaarse vrije tijd besteedde hij  aan het leiden van de afdeling voor antropogenetica van het Instituut voor Preventieve Geneeskunde in Leiden.

Polman nam in 1958 uit zijn functie als buitengewoon hoogleraar, mede gedwongen door zijn gezondheid, ontslag. Hij wijdde zich nu volledig aan zijn taak als voorzitter der Gezondheidsorganisatie van TNO.  In deze periode werd er in Hoogkerk een straat naar hem vernoemd.

Overlijden en crematie

In 1955 viel Polman flauw en bleek na onderzoek dat hij een tumor in de hersenen had. Hij werd geopereerd en genezen verklaard. In februari 1957 volgde een terugval en moest hij nogmaals onder het mes. Begin januari 1959 speelde zijn ziekte weer op en op 25 februari volgde een opname in het Academisch Ziekenhuis in Groningen. Polman overleed op 25 april 1959 om 11.45 uur aan kanker.

De crematie vond plaats in Dieren. Onder de kransen bevonden zich die van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, de Gezondheidsorganisatie TNO en het Koninklijk Nederlands Medisch Genootschap. Sprekers waren professor Pieter Muntendam, dr. P.J. Waardenburg, namens de Nederlandse Antropogenetische Vereniging, en Dr. van der Wielen namens de naaste medewerkers. 

Zie ook