CorrnelisVroege loopbaan

Cornelis Moolenburgh (Bussum, 26 juni 1901 - 31 januari 1997) was een Nederlands kapitein-ter-zee, inspecteur-generaal voor de scheepvaart en Honorary Commander in the Military Division of the Most Excellent Order of the British Empire.

Moolenburgh stamde uit een Zeeuwse, patricische familie en was een zoon van mr. Antonie Moolenburgh (1871-1943), heer van Zonnemaire, wethouder te Bussum, en Maria C.J. Evers (1871), en kleinzoon van Eerste-Kamerlid mr. Jacob Moolenburgh (1827-1892), heer van Zonnemaire.

Hij trouwde in 1927 met Catharina Wilhelmina Dombach (1903). Zij kregen drie kinderen: ir. drs. Antonie Moolenburgh (1931-2011), Cornelia Hendrika en Maria Catharina Wilhelmina.

Moolenburgh werd met ingang van 6 september 1918 als adelborst geplaatst aan het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord; op 18 augustus 1921 werd hij benoemd tot luitenant-ter-zee derde klasse en op 1 oktober 1921 vertrok hij als passagier per ss japan Prins der Nederlanden van Amsterdam naar Batavia, waar hij was bestemd voor de dienst aldaar.

Moolenburgh werd op 18 augustus 1923 bevorderd tot luitenant-ter-zee tweede klasse; hij voer toen op torpedobootjager Hr. Ms. Vos en werd in juni 1923 overgeplaatst op pantserschip Hr. Ms. Zeven Provinciën.

Op 10 november van dat jaar keerde hij als passagier per ss Johan de Witt terug naar Nederland en werd op 13 oktober 1924 geplaatst aan boord van Hr. Ms. pantserschip Tromp en vervolgens in oktober 1925 geplaatst bij de radiodienst te Amsterdam.

Per de 24ste september 1926 werd hij geplaatst op de torpedoboot Hr. Ms. Z 5 en op 1 april 1927 op het wachtschip te Vlissingen geplaatst teneinde aZeven provanwezig te zijn bij de aanbouw van de torpedobootjager Hr. Ms. De Ruyter.

Met ingang van 30 mei 1928 werd hij op dit schip geplaatst, overgeplaatst op de kruiser Hr. Ms Sumatra en verkreeg in september 1929 vergunning terug te keren naar Nederland.

Met ingang van 4 november van dat jaar werd hij geplaatst op Hr. Ms. wachtschip te Willemsoord; hij was toen tevens adjudant van viceadmiraal L.J. Quant.

Moolenburgh werd met ingang van 21 augustus 1931 benoemd tot luitenant ter zee eerste klasse en bij beschikking van de Minister van Defensie met ingang van 3 november 1932 voor twee jaar geplaatst bij de Hogere Marine Krijgsschool te Den Haag tot het volgen van een cursus krijgswetenschap.

Van 20-24 juni 1938 nam hij als afgevaardigde van de Nederlandse regering als lid van de generale staf deel aan de Rode Kruisconferentie te Londen. In deze jaren nam hij ook deel aan diverse zeilwedstrijden. In 1939 werd hij benoemd tot ridder van het Legioen van Eer. In 1940 was hij hoofd van de Marine Inlichtingendienst

Begin Tweede Wereldoorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vertoefde Moolenburgh deels in Engeland, waar hij op 16 augustus 1942 werd bevorderd tot kapitein-luitenant-ter-zee, de Distinguised SeMoolenburgh japanrvice Order ontving voor zijn werkzaamheden bij de Nederlandse Marine en waar hij in 1943 in Londen deelnam aan de vlaggendag.

Hij was toen werkzaam als vaste liason-officier met het Air Ministry voor de Nederlandse regering in ballingschap en onder meer secretaris van de Raad van Oorlogsvoering.

Hij gaf in deze functie en als adjudant van marine-attaché J. de Booy onder meer adviezen betreffende bombardementen op Duitse doelen in Nederland.

In april 1941 werd er door het Air Ministry een plan opgesteld. De Wehrmacht maakte in die maand in Joegoslavië en Griekenland snelle vorderingen en om de druk op de Duitsers in West-Europa op te voeren wilde de RAF dagaanvallen gaan uitvoeren.

Men wilde het Duitse luchtafweergeschut uitschakelen door in de kuststrook van Noord-Frankrijk, België en Nederland de electriciteitscentrales te verwoesten zodat ook de Duitse militaire centrales geen stroom meer zouden krijgen.

Diverse activiteiten

Moolenburgh wees hen erop dat de Duitsers bij hun luchtafweergeschut eigen aggregaten hadden staan om stroom op te wekken en dat de RAF, als zij de electriciteitscentrales in Nederland vernMoolenburgh eretekenietigden, een groot deel van het economische leven tot stilstand zouden brengen en bovendien de bemaling onmogelijk zouden maken waardoor West-Nederland onder water zou komen te staan. De electrische centrales werden vervolgens op de lijst van verboden doelen gezet.

Moolenburgh verschafte verder Minister J. Furstner de precieze gegevens van de RAF over de bombardementen op alle havens in West-Europa tot 1 juli 1941, waaruit bleek dat de havens in België en Frankrijk veel frequenter waren gebombardeerd dan die in Nederland.

De RAF was in de herfst van 1940 van plan geweest de Philips-fabrieken in Eindhoven aan te vallen, die toen voor een gedeelte voor de Luftwaffe werkten.

Moolenburgh sprak zich tegen het bombardement uit en liet begin 1941 aan minister A. Dijxhoorn weten dat dat hij het goede bericht had ontvangen dat men deze industrie voorlopig van de lijst der aan te vallen doelen had afgenomen.

Later werd het complex toch weer op de lijst geplaatst en bereidde Moolenburgh een aanval voor; op 6 december 1942 werd door 93 lichte bommenwerpers van de RAF zware schade aangericht.

Adviserende activiteiten

Moolenburgh was tijdens de oorlog ook adviseur van de zogenaamde "bombardementscommissie", onder voorzitterschap van minister-president P.S. Gerbrandy, en met als overige leden prins Bernhard en de ministers Furstner, E. van KMoolenburgh eretekenleffens en E. Michiels van Verduynen.

Deze commissie had banden met het Air Ministry. Toen er in het najaar van 1940 door de RAF in opdracht van het Political Intelligence Office pamfletten boven bezet gebied werden gestrooid, waren deze in zulk slecht Nederlands gesteld dat Moolenburgh in een brief aan minister Furstner schreef dat hij hoopte dat alle pamfletten in zee waren beland.

Tegen het einde van de oorlog werd Moolenburgh als lid van een Nederlandse missie gedetacheerd bij het Supreme Headquarters Allied Expeditionary Force om ook daar geallieerden te adviseren over bombardementen op Nederlands grondgebied.

Latere loopbaan

Moolenburgh werd op 1 september 1947 benoemd tot kapitein-ter-zee en verliet de actieve zeedienst op 1 april 1949.

Hij werd in november 1951 benoemd tot inspecteur-generaal voor de scheepvaart in welke functie hij diverse ongevallen met schepen behandelde; in 1954 nam hij deel aan een conferentie in Londen over het misbruik van de zee als stortplaats voor olieafval.

In een overzicht van de conventie opgesteld naar aanleiding van de conferentie wees Moolenburgh erop dat Rotterdam geen speciale voorzieningen dienaangaande behoefde te treffen omdat de raffinaderijen te Pernis het olieafval al opvingen en het economisch nuttig maakten.

Onderscheidingen

Moolenburgh was onder meer ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, officier met de zwaarden in de Orde van Oranje-Nassau, bezat het oorlogsherinneringskruis, het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier met het cijfer XXV, de Inhuldigingsmedaille 1948, de Orde van Verdienste van Frankrijk, was commandeur in de Orde van de Dannebrog, lid in de Orde van het Bad, bezat de Distinguished Service Order, was officier van het Legion of Merit en ridder in het Legioen van Eer.

Hij verkreeg bij Koninklijk Besluit van 4 december 1941 nummer 7 verlof tot het dragen van de versierselen der Distinguised Service Order.

f t